Lees over het lezen van anderen.

Bob den Uyl

«Ik ben, wellicht op een verkeerde manier, bezeten van boeken. Altijd, dag en nacht, moet er een boek bij me in de buurt zijn. Zonder boek naar bed of naar de w.c. gaan is voor mij onmogelijk. Blijk ik in een trein een boek of blad vergeten te zijn, dan stap ik uit en schaf me drukwerk aan. Verblijf ik bij iemand die geen boeken in huis heeft, dan word ik rusteloos en agressief.
De keuze van mijn boeken stoelt op gevoelsmatige gronden. Romans die in Azië of Zuid-Amerika spelen lees ik niet. Landen die me met bijzondere afkeer vervullen (wanneer gebruikt in romans) zijn China, Indonesië en vooral Nederlands-Indië. De stroom van boeken die over het oude Indië zijn verschenen mijd ik. Van, bijvoorbeeld, de nu lopende serie van Kousbroek in de NRC onder de titel Het land van Panerkomst word ik lichamelijk onwel als mijn oog erop valt. De Zuid-Amerika rage gaat aan mij voorbij.

Ook boeken met, naar mijn smaak, slechte titels lees ik niet. Bij voorbaat vervuld van weerzin kan ik dan de inhoud niet met een objectief oog bezien. Een titel moet voor mij harmonieus klinken en lichtelijk intrigeren. Het mag vooral geen duidelijke "vondst" zijn. Een veelschrijver zou van mij zijn romans mogen nummeren. Honderden voorbeelden van mij naar de strot vliegende titels zou ik kunnen geven. Ik beperk mij tot Opwaaiende zomerjurken van O. de Jong en Bazip Zeehok van C. Buddingh'.

In iets mindere mate ben ik gevoelig voor de namen van schrijvers. Zo zou ik, iemand anders zijnde, nooit een boek van mijzelf lezen. In mijn jeugd heb ik alle zogenaamde „Kwartjesboeken" — groot formaat, slappe gele kaft, slecht papier — gelezen, behalve die van Hans de la Rive Box. Om bij Nederlanders te blijven, bij de namen Gerrit Krol en Willem Brakman moet ik altijd iets wegslikken. Natuurlijk zegt deze, waarschijnlijk neurotische, afkeer van namen, titels, landen en andere zaken niets over de kwaliteit van de schrijvers en boeken in kwestie. Het is een persoonlijk tekort. Ik zeg dit er maar bij, want hoe gauw word je niet verkeerd begrepen.

Boeken van vrouwen lees ik, uitzonderingen daargelaten, niet. Altijd hebben ze hinderlijke namen of slechte titels, en zijn naam en titel in orde, dan blijken ze weer niet te kunnen schrijven. Als behorend bij de genoemde uitzonderingen zou ik Dorothy Parker willen noemen, en voor Nederland Helga Ruebsamen.

Boeken met een afwijkend formaat raak ik niet aan. Als je het in een opvallend formaat moet zoeken, kan het nooit wat wezen. Een boek moet een normaal, onopvallend en toch gedistingeerd uiterlijk hebben, zonder schreeuwerige omslagen. De verschijning van een boek moet koel zijn, moet afstand bewaren. Lees me of laat me staan, het kan me niets schelen: dat moet het uiterlijk van een boek zeggen. Schrijnend voorbeeld van een stuitend formaat is Battle Ships of World War  van Antony Preston.
Er zijn boeken die de verkeerde geur hebben. Hieronder vallen vaak tweedehands boeken. Die lees ik dus niet. Maar ook nieuwe boeken, vers van de binden, blijken soms vreemde geuren te verspreiden, mogelijk door gebruik van slechte inkt of papier van een onbekend merk. Het nieuw gekochte boek Remember to Remember van Henry Miller, van de „Grey Walls Press", heb ik niet kunnen lezen vanwege de stank die er na het openslaan uit opsteeg. Je kreeg de indruk dat Miller tussen de bladzijden tot ontbinding was overgegaan. (Dit was, overigens, in de tijd dat ik deze „bag full of shit" nog las.)

Een tekort van veel huidige boekwerken is dat ze niet open blijven liggen. Je moet ze met twee handen krampachtig vasthouden. Laatje het boek even los, dan slaat het dicht met de kracht van een bereklem. Deze boeken kan je niet eens lezen, al zou je willen. Een tweede modern ongemak — de techniek schrijdt voort, maar het doet de boeken geen goed — is het gebruik van een cpmputer-achtige zetautomaat die, als ik wel ben ingelicht, „composer" wordt genoemd. Het lezen van het onregelmatige zetsel is zwaar vermoeiend, na twee of drie pagina's dansen de letters voor je ogen en treedt het begin van hoofdpijn op. De uitvoering van Oud en eenzaam van G. Reve is hier een treffend voorbeeld van. Zo'n boek leg je moedeloos weg.

Het mag lijken dat er voor mij op deze manier weinig overblijft om te lezen, maar dat valt mee. Met de Londen Street Finder van Nicholson kan ik uren zoet zijn.»

medio oktober 1980 - in De Volkskrant.