Lees over het lezen van anderen.

David Martin


«Toen al waren mijn enige vrienden gemaakt van papier en inkt. Op school had ik lang voor de andere kinderen lezen en schrijven geleerd. Waar mijn schoolvriendjes spetters inkt zagen, op ondoorgrondelijke bladzijden, zag ik licht, straten, mensen. Woorden, het geheim van hun verborgen wetenschap, fascineerden me;  ik zag in hen een sleutel waarmee ik een grenzeloze wereld kon openmaken, een schuilplaats voor dat huis, die straten en die zware tijd, waarin zelfs ik kon voorvoelen dat slechts een beperkte tijd voor mij zou zijn weggelegd. Mijn vader wilde geen boeken in huis. Er was iets mee -onafhankelijk van de letters die hij niet kon ontcijferen- waardoor hij zich beledigd voelde. Hij zei vaak tegen mij, dat als ik tien jaar zou worden, hij mij een baantje zou bezorgen, en dat ik maar beter alle rare gedachten uit mijn hoofd kon zetten, omdat ik anders als een mislukkeling zou eindigen. Ik verstopte mijn boeken onder de matras, en wachtte tot hij weg zou gaan, of in slaap viel, zodat ik kon lezen. Op een keer betrapte hij me terwijl ik 's  nachts las, en werd woedend. Hij rukte het boek uit mijn handen en gooide het uit het raam.
"Je krijgt er spijt van als ik je nog eens betrap, terwijl je met die onzin elektriciteit verspilt."
Toch was mijn vader niet krenterig. Hij gaf me, ondanks alle moeilijkheden die we hadden te verduren, af en toe wat muntjes, zodat ik net zoals andere kinderen wat snoep zou kunnen kopen. Hij was er van overtuigd dat ik ze aan drop, zonnebloempitten of zoetigheid zou uitgeven, maar ik bewaarde ze in een leeg koffieblik onder mijn bed. Zodra ik vier of vijf reaal had gespaard, kocht ik daarvan in het geheim een boek.»

Vertaald uit: Carlos Ruiz Zafon, The Angel's Game (tr. Lucia Graves); London, Phoenix, 2010; p. 34-35