Lees over het lezen van anderen.

Adriaan van Dis

«Als kind was ik een moeizame lezer. Mijn eerste letters werden erin geramd. Mijn vader vond dat ik voor de lagere school het lezen en het schrijven machtig moest zijn. Als oud-militair meende hij dat slaag de beste leerschool was. Tot zover niks bijzonders. Vervelend was wel dat ik in de eerste klas niet nog eens bereid was het alfabet te leren. Ik had geen juf meer nodig. Mijn handschrift had al eigenwijze trekken en zinnen las ik zonder haperen. Deze vaardigheid werd mij door mijn klasgenoten niet in dank afgenomen. Ik moest me niks verbeelden, pas op de plaats -met gymnastiek pootje gelicht, na school ventiel uit de band- ik had me aan de regels van de groep te houden. Ik telde graag mee, en paste mij aan. Na een maand schreef ik geen zin zonder fouten en veinsde geen woord te kunnen lezen.
'Leesstoornis', zeiden de juffen. Mijn vader was toen al te ziek om te slaan. Geen goede basis voor een lezer. Ik liet me liever voorlezen. Vooral van de verhalen van mijn oudere zusters kon ik geen genoeg krijgen. Sprookjes, Cissy van Marxveld en de hele Kluitman-serie, want die van Kluitman zaten bij hen op school. Ik vrees dat mijn kijk op de wereld er lang door werd bepaald: vrouwen waren prinsessen, al dan niet opgesloten in torenkamers, mannen ridders die hen bevrijdden, of berijders van sportwagens die hen verleidden, maar de meesten waren gemeen of een kei in sport -wat voor mij hetzelfde was- stiefmoeders deugden niet en arme mensen stierven met een glimlach op de lippen.
Wie zo denkt mag niet doorleren. Ik was de enige uit de klas die te licht werd bevonden voor de middelbare school. Terwijl de anderen zich bogen over sommen waarin een meneer van A naar B fietste, mocht ik een tak tot kerststukje vergulden. Op de mulo lazen de meesten nog met hun wijsvinger en hun lip. Met dat tempo durfde ik weer te spellen en te lezen. Voor het eerst van mijn leven las ik boeken in één adem uit. Schateiland, De Zwitserse familie Robinson, De graaf van Montecristo... hoe verder weg des te erger besefte ik de grenzen van de mulo. Mijn klasgenoten verheugden zich op de vrijheid na het diploma: voor de jongen een bromfiets, een baan bij de gemeente of de Seintoestellen-fabriek en voor de meeste meisjes werk in een winkel en een liste de mariage bij Au bon gout. Ik was een zessenleerling, zou ik het eindexamen ooit wel halen? Een vriend van mijn toen al overleden vader zag mij graag op zijn handelsbureau. Brieven schrijven: 'Veuillez agréer, Monsieur, l'expression de mes sentiments distingués.' Looking forward to your early reply, I remain.' Was er nog leven na de mulo?
Met Bordewijk kwam de hoop. Karakter. Ik moest het lezen voor mijn lijst. Na een paar bladzijden was het geen moeten meer, of toch, ik moest heel wat citaten overschrijven, ik moest het meteen voor een tweede keer lezen. Ik kocht het in de zakdoekenreeks, en bezit het nog. Met strepen en uitroeptekens op bladzijde 34.»

in: NRC Handelsblad, Boeken, van 29 november 1996