Lees over het lezen van anderen.

Louis Paul Boon

«[...]Maar het volgende jaar was ik tweede of derde. Toen had ik vorderingen gemaakt.

Ik       Las je toen al veel?

Boon Ja, enorm veel.

Ik       Welke waren je lievelïngsboeken?

Boon  Dat heb ik geschreven in Stadsbibliotheek 1925, over de biblioteek van Aalst. Een jongen in de klas las nog veel meer en die lokte mij mee naar de stadsbiblioteek en daar gingen wij boeken lenen op naam van ons vader. Anders konden wij alleen maar kinderboeken krijgen. En daar be­gonnen wij toch al Cyriel Buysse en zo te lezen, als wij een jaar of veertien waren.

Ik       En Zetternam?

Boon   Nee, Zetternam nog niet. Wij zijn begonnen met Jules Verne.

Ik       En Conscience? Karl May? Abraham Hans?

Boon  Nee, ik ben begonnen met Jules Verne, waarvoor ik nog steeds grote bewondering heb. En daarna ben ik Cyriel Buysse beginnen lezen.

Ik       Zijn eerste werken?

Boon  Nee, die kregen we niet, zelfs mijn vader kreeg die niet. Ik geloof zelfs niet dat ze die hadden.

Ik       Las je vader ook veel?

Boon   Ja, toch wel. Maar hij las meer die volksromans in afleve­ringen: De verborgenheden des volks, De bende van Jan de Lichte. Maar die las ik niet mee.

Ik       Mocht je alles lezen van je ouders?

Boon  Jaja. Soms zei mijn vader eens in een koleire: 'Maar wat voor boeken lees Ik toch allemaal!', omdat die op zijn naam stonden.

Ik      Maar hoe komt het dat jij niet gelezen hebt wat hele generaties verslonden hebben, de 'Kleine Hansjes?'

Boon   Ja, dat weet ik niet. Ik heb er een paar van gezien, maar het interesseerde mij niet. Ik vond ze niet goed, het leek me teveel kinderlektuur. Maar zijn grote boeken, daar heb ik er verscheidene van gelezen, de grote avonturen en liefdesromans, Op de Kemmelberg en zo.

Ik       Uit de biblioteek gehaald?

Boon Neen, thuis bij mijn peetje, die las veel van die dingen, hij had een hele kist van die boeken, meestal bandietenver-halen, dat was toen geweldig. . . De bende van kapitein eenoog en Jan de Schalk... en Jan de Lichte... hij had die bandietenromans allemaal.

Ik       In volksedities?

Boon   Ja. En 's avondss vertelde hij dan daarover. In winter­avonden vertelde hij voortdurend.

Ik       Die grootvader was de vader van je vader?

Boon  Ja, dat was peetje.

Ik       Wat was zijn beroep?

Boon   Hij was schoenmaker... Nu zie je dat niet meer, zo'n schoenmaker die in het achterkamertje heel de dag schoe­nen zit te repareren voor de mensen.

Ik       En die las veel?

Boon  Ja, als hij niet dronk, zat hij de hele avond te lezen.»

Herwig LEUS en Julien WEVERBERGH - In gesprek met Louis Paul Boon en de spoken van zijn Kapellekensbaan - in Podium, nummer 6, 1969.