Getuigenissen - lees over het lezen van anderen.

Marcel Baiwir

"Ik ben vertrokken zonder iets te zeggen want mijn moeder had me nooit laten gaan."

Hoe hard kan de winter van het leven zijn? Marcel Baiwir, een schriel mannetje van 1,54 meter was altijd een lettervreter. Als jongeman verslond hij al het verzamelde werk van Marx en Lenin, twee idolen die hij nooit zou verloochenen. Ook als prille tachtiger kon je hem zelden zonder drukwerk betrappen. Maar een jaar of zeven geleden sloeg het noodlot toe. Baiwir (89) verloor nagenoeg zijn volledig gezichtsvermogen. Menselijke contouren kan hij nog net onderscheiden maar boeken blijven definitief gesloten.
Zijn autobiografie, verschenen bij Formáction André Renard onder de wat pompeuze titel Contribution à l'histoire sociale wallonne. Un militaire témoigne, heeft hij noodgedwongen moeten dicteren. Baiwir blikte ondermeer terug op zijn oorlogsjaren, die hij goeddeels in Duitse kampen sleet. Mauthausen, Sachsenhausen, als communist en weerstander heeft hij zijn part van de ellende wel gekregen. Na de oorlog maakte hij carrière, zowel binnen de Belgische Communistische Partij als de vakbond. Baiwir werd hoofdafgevaardigde van de FGTB bij Cockerill Sambre, de staalproducent die in zijn topjaren meer dan 70.000 arbeiders telde.
Maar dat zijn niet de hoofdstukken die ons vandaag naar een Luikse buitenwijk hebben gelokt.  Ons is het te doen om die tien bladzijden over zijn wedervaren als brigadist in de Spaanse Burgeroorlog. Zijn getuigenis is behoorlijk uniek. Baiwir kan nauwelijks geloven dat we in Ottignies nog een brigadist hebben gevonden. "Ik dacht dat ze allemaal dood waren", zegt hij. "Ik heb hier de namenlijst liggen van de Luikse brigadisten. Vroeger hielden we geregeld bijeenkomsten. Nu valt er niet meer bijeen te komen, ik ben de enige overlevende."
We installeren ons in zijn werkkamer. Aan de muur hangt een foto van Julien Lahaut, de vermoorde communistenleider die Baiwir persoonlijk heeft gekend. Dat hij zelf links zou worden stond in de sterren geschreven. Grootvader van moederszijde was een uit Frankrijk gevluchte anarchist.
"Hij was amper geletterd", vertelt Baiwir. "Maar hij wilde wel alles weten over binnen- en buitenlandse politiek. Daarom liet hij moeder dagelijks de krant uitspellen. Het hele huis moest dan stil zijn, want lezen was heilig.  Dat respect heeft moeder later op ons overgedragen.  Ze was een dappere vrouw, die zowat in haar eentje zeven kinderen heeft opgevoed.  En ze was ook politiek bewust, moeder ging naar alle meetings van de communistische partij. Onze hele familie was links, maar ik ben de enige die het tot partijmilitant heeft geschopt.  Op mijn veertiende ben ik gaan werken, en in dat zelfde jaar ben ik bij de communistische jeugd gegaan, de anti-chambre van de partij. Want je kreeg niet zomaar een lidkaart, je moest eerst bewijzen dat het menens was.
"Ik heb twee jaar lang pamfletten rondgedeeld en meetings bijgewoond, als er gestaakt werd vond je mij bij het piket."
Onverwacht stokt zijn relaas.  De gruwelen van de Spaanse Burgeroorlog zal hij zonder verpinken vertellen maar de herinnering aan zijn communistische jeugd wordt hem te machtig. Hij mag dan half blind zijn, voor zijn geestesoog defileren de kameraden van weleer. "Allemaal al jaren dood", zegt hij terwijl hij met een zakdoek zijn ogen dept. "Ik zie ons daar nog zitten op de banken van de partijschool."  Dierbare herinneringen aan beroerde tijden: het waren de crisisjaren dertig. Werkloosheid en sociale onrust vormden een ideale voedingsbodem voor extreme politieke partijen.
Tegenover de communisten stond het extreem rechtse Rex van Léon Degrelle. Die polarisatie hield niet alleen België maar heel Europa in de greep. In Spanje escaleerden de tegenstellingen tot een regelrechte burgeroorlog.
"Veel wisten we niet over Spanje", zegt Baiwir. "Maar het bericht van de fascistische opstand tegen de republikeinse regering maakte grote indruk op jonge partijmilitanten. We waren verontwaardigd omdat de internationale gemeenschap en democratisch verkozen regering zomaar in de steek liet. Ook Frankrijk en Engeland, landen nochtans met linkse partijen aan de macht,  verklaarden zich neutraal. Ze weigerden zelfs wapens te leveren aan de Spaanse regering, terwijl die daar best voor wilde betalen. Ondertussen werden de fascisten van Franco volop gesteund door Hitler en Mussolini. Tanks, vliegtuigen, elitetroepen, noem maar op. Het Volksfront kon alleen op Stalin rekenen, maar dat volstond niet. Het was van meet af een ongelijke strijd. De Spaanse regering had nauwelijks nog een leger. Vijfentachtig procent van de officieren was naar Franco overgelopen. "De Secours Rouge Internationale lanceerde een oproep. Als we geen wapens mogen leveren, zo ging de slogan, dan geven we ons bloed. Nu klinkt dat misschien drammerig, mar de boodschap viel toen niet in dovemansoren. Ik ben vertrokken zonder een woord te zeggen, anders had mijn moeder me nooit laten gaan. In ons groepje van zeven zaten drie bekenden, vrienden met wie ik 's zondags vaak op café ging dansen. Het begon slecht. Toen we 's avonds laat in Parijs arriveerden waren de kantoren van de Secours Rouge al gesloten. We hebben de hele nacht door de straten van Parijs gedoold. Maar denk vooral niet dat we naar de meisjes zijn geweest. Dat kwam bij ons zelfs niet op. Zoiets druiste in tegen de idealen van de communistische jeugd.
"De douane in Marseille was een lachertje. We hadden allemaal valse namen gekregen, maar dat was niet eens nodig, want ze keken zelfs niet naar onze papieren. Op de boor naar Barcelona zaten 150 vrijwilligers, Belgen, Italianen, Fransen, Duitsers, er waren zelfs enkele Luxemburgers bij. De ontvangst in Barcelona was onvergetelijk. Hoe dichter we de haven naderen, hoe luider de massa op de kade tekeerging. In één klap 150 vrijwilligers, dat gebeurde niet alle dagen. Later heb ik vernomen wie het transport had georganiseerd. Niemand minder dan Tito, de latere president van Joegoslavië.
"De mensen waren dankbaar. Ze hadden zelf niks te eten, en toch gooiden ze ons appelsienen toe.  Je had onze aankomst in Valencia moeten meemaken. Het perron zag zwart van het volk, jonge meisjes die ons kwamen toejuichen. Mijn makkers hebben me daar nog een loer gedraaid. Nu ja, het was een plezante loer. Ze hebben me uit het raam gegooid, bovenop een bende gillende meisjes. Jammer dat er geen foto's van bestaan. Ik werd door die meisjes letterlijk op handen gedragen. Niet zo moeilijk natuurlijk, als je zo klein bent als ik.
"Later, toen ik in Madrid was, heb ik een andere sfeer geproefd. Van dankbaarheid jegens de brigadisten was weinig te merken. Integendeel de Madrilenen bekeken ons eerder wantrouwig. Madrid was natuurlijk de hoofdstad, er woonden meer bourgeois dan arbeiders. Ik denk dat velen stiekem voor Franco supporterden.
"Van Valencia gingen we naar Albacete voor onze opleiding. Ik was bij de Frans-Belgische brigade André Marty. Die naam zegt je waarschijnlijk niet veel, maar André Marty was toen secretaris van de Communistische Internationale, een zeer voorname figuur. Veel had onze opleiding niet om het lijf. We leerden schieten en in de pas lopen, en dan werden we klaar bevonden voor de strijd. Op het einde was er nog een donderpreek van André Marty. Van op een balkon bulderde hij dat de brigadisten zich onder alle omstandigheden waardig dienden te gedragen. We mochten niet naar het bordeel, niet op café, zelfs fluiten naar de meisjes was ten strengste verboden. Met die gedragscode werd niet gelachen. Later heb ik zelfs jongens gestraft zien worden die naar het bordeel waren geweest.
"Nog geen drie weken na onze aankomst in Spanje werden we al naar het front gestuurd. Onze eerste opdracht was het bezetten van een vooruitgeschoven post in de verdedigingslinie rond Madrid. Daar heb ik de eerste kameraad zien sneuvelen. Ik zal het nooit vergeten. Het was een knappe, potige kerel, een haantje de voorste die al dagen liep te popelen om naar het front te vertrekken. Hij werd geveld door een kogel in zijn mond. Oorlog, dat kun je niet vertellen, dat moet je meemaken.  Er vlogen zoveel kogels rond dat je er op den duur niet meer op lette. Aan het front kende iedereen het gezegde, de kogel die je doodt, hoor je niet aankomen.
"Voor mijn drie vrienden uit Luik was de spanning er echter te veel aan. Ze raakten verlamd door angst. Gelukkig toonden de officieren begrip. Omdat ze zo jong waren mochten ze naar België terug. Ik was op dat moment al aan het front. Toen ik hun vertrek vernam, voelde ik me eenzaam en triest, maar ik dacht er niet aan hun voorbeeld te volgen. Ik denk dat het met mijn vorming op de partijschool te maken had. Ik was bereid mijn leven te geven voor een ideaal.
"Noem het een staat van genade. Ik heb daar dingen gedaan waarvan ik achteraf niet begreep waar ik de moed vandaan haalde. Op een keer bleven er vijf kameraden gewond achter tussen de linies.  Onze commandant zocht vrijwilligers om ze te evacueren. Ik heb me onmiddellijk gemeld. We zijn er in geslaagd drie kameraden te redden onder vijandelijk vuur. Dat was in Madrid, op de campus van de universiteit waar ik maanden heb gelegen. Het was een echte guerilla-oorlog met frontlinies die tussen de gebouwen liepen, soms geen tien meter van elkaar.  Mijn kleinzoon heeft me vaak gevraagd of ik in Spanje vijanden heb doodgeschoten. Ik kon daar niet op antwoorden. Er werd de hele tijd over en weer geschoten. Misschien heb ik wel tien falangisten gedood, misschien ook geen enkele. Van de Tweede Wereldoorlog ben ik wel zeker. Ik heb verschillende Duitsers geliquideerd.
"Ik ben ginder ziek geworden. Geconstipeerd, een kwaal waar veel soldaten mee te maken kregen. Aan het front kun je niet gaan wanneer je er behoefte toe voelt, snap je. Op den duur kreeg ik zo'n erge buikpijn dat ik niet meer kon bewegen. Ze hebben me naar een noodhospitaal in een school afgevoerd.
"Ik wilde zo snel mogelijk terug naar mijn kameraden, maar daar is niets van in huis gekomen.  Toen ik genezen was werd ik bij André Marty geroepen.. Ik snapte er niks van, wat had een kleine garnaal als ik bij de grote Marty te zoeken? Mijn verbazing werd nog groter toen ik zijn kantoor mocht betreden. Marty was niet alleen, hij werd geflankeerd door nog een zwaargewicht, Palmiro Togliati, de leider van de Italiaanse Communistische Partij. Ze hebben hun boodschap met veel tact geformuleerd. Ze zeiden dat ik een voorbeeldige brigadist was, maar dat het nu tijd werd dat ik naar huis terug keerde. In België, legden ze uit, wachtte mij een belangrijke missie. Blijkbaar was Rex aan een propaganda-offensief tegen de communisten begonnen. Ze beweerden dat we minderjarigen ronselden om in Spanje te gaan vechten. Het was mijn taak die leugenachtige beschuldigingen te ontkrachten. Ik mocht vooral niet verklappen dat ik zelf als brigadist had gevochten. Nee, ik moest zeggen dat ik als waarnemer door Spanje was getrokken en dat ik aan het front niet één minderjarige had gezien.
"Na tien maanden stond ik dus terug in Luik. Het was nog vroeg in de morgen. Moeder was compleet verrast en diep ontroerd toen ik ineens aan haar bed stond. In het begin was het wel oppassen geblazen. Thuis kon ik wel honderduit vertellen over mijn tijd als brigadist, maar voor de buitenwereld moest ik komedie spelen en doen of ik ginder als verslaggever was geweest.
"De overwinning van Franco was een bittere pil voor mij, en een schande voor Europa. Ik blijf er bij: hadden we in Spanje de fascisten verslagen dan was misschien de Tweede Wereldoorlog nooit uitgebroken.  Dat sommigen Stalin verantwoordelijk achten voor de nederlaag vind ik het toppunt.  Stalin heeft gedaan wat hij kon, maar hij doorzag ook de valstrik die in Spanje voor hem werd gespannen.  In Europa waren er velen die hoopten dat Stalin massaal troepen zou sturen, zoals Hitler deed aan de kant van de fascisten. In dat geval kon de oorlog in Spanje uitmonden in een oorlog tegen de Sowjet Unie. Want vergis je niet, in 1936 was niet het nazisme maar het communisme de boeman van het establishment.
"Ondanks alles heb ik mooie herinneringen aan die tijd. Misschien komt het omdat ik zo jong was. En natuurlijk heb ik de penibele terugtrekking van de Internationale Brigades en de nederlaag van de republiek niet meer meegemaakt. Hoe dan ook, ik denk veel liever terug aan de Spaanse Burgeroorlog dan aan de Tweede Wereldoorlog. Dat was pas een echte nachtmerrie."

door Erik Raspoet - gepubliceerd in De Morgen van zaterdag 15 juli 2006
foto van Stephan Vanfleteren - copyright De Morgen